Principes

Het belangrijkste principe is dus de zone van naaste ontwikkeling. Het kind ontdekt vanuit zijn eigen ontwikkeling wat op het randje van zijn kunnen en nog niet kunnen ligt. Bij OGO staat de brede persoonsontwikkeling van leerlingen centraal. Deze brede ontwikkeling omvat alle intelligenties. Daarbij is het de gedachte dat de leerkracht in het contact met de kinderen niet enkel specifieke kennis en vaardigheden overdraagt, maar dat de ontwikkeling van de leerling daarnaast ook beïnvloedt wordt door de context en de cultuur.

Een ander principe is dat het kind ontwikkelbaar is. De ontwikkeling van een kind is te beïnvloeden, het is dus geen vaststaand proces. Betekenisvolle activiteiten en inhouden leveren een belangrijke bijdrage aan deze ontwikkelings- en leerprocessen. Er is onderscheid tussen ontwikkeling en leren: ontwikkeling is een veelomvattend proces, leren wordt toegepast bij overzichtelijke processen.

Bij OGO is zingeving erg belangrijk. Het geleerde moet verinnerlijkt worden. Ook is het van belang dat de leerling weet wat het nut is van het geleerde. Daarnaast moet de leerling in staat zijn om het geleerde in verschillende contexten toe te passen. '

Tenslotte hecht OGO grote waarde aan reflecteren en observeren. Door middel van observatie zoekt de leerkracht wat de leerlingen zelf willen en al (bijna) kunnen. Daar stemt de leerkracht het onderwijsaanbod op af. Vervolgens reflecteert hij/zij of het goed zo goed is. Op basis van de reflectie past de leerkracht het aanbod van activiteiten weer aan.

Opzet OGO in fases
Ontwikkelingsgericht onderwijs werkt met thema's. Een thema duurt circa zes tot acht weken. Het is daarom noodzakelijk dat je verschillende kanten op kan met een thema. Bij het thematiseren verbindt de leerkracht zijn bedoelingen met de betekenissen van kinderen. Thematiseren vraagt om voorbereiding, oefening, observatie, reflectie, in elke fase van het thema. De thema's zijn in verschillende fases opgebouwd

Fase 0 Voorbereiding
Op De Windroos bereiden we deze fase gezamenlijk voor met het hele team. voordat het thema van start gaat, gaan we met elkaar brainstormen en bereiden we een vijftal startactiviteiten voor. Dit gebeurt onder begeleiding van de OGO - taal coördinator. Zij zorgt vooraf voor materialen, de opzet van het thema met de desbetreffende doelen voor w.o. en taal per leerjaar en voldoende informatieboeken. Ook kan zij inhoudelijke input geven waar dat nodig is.

Fase 1 Startactiviteiten
Aan de hand van de kerndoelen worden een aantal startactiviteiten gegeven. Daarbij worden verschillende invalshoeken belicht die aan bod zouden kunnen komen in het verdere thema. De bedoeling is de kinderen te prikkelen, betrokken te maken bij het thema, te kijken wat de kinderen er al van weten en eventuele vragen uit te lokken over wat zij verder zouden willen onder zoeken. Na de startactiviteiten wordt samen met de kinderen de sociaal culturele praktijk bepaald> "Wat gaan wij worden".

Gedurende het thema ontstaan woordvelden en een vragenwand met vragen van de kinderen. Wat willen wij weten. Deze kunnen we onder verdelen in dikke en dunne vragen. Dikke vragen zijn onderzoeksvragen en dunne vragen zijn de vragen die redelijk snel opgezocht kunnen worden

Fase 2 kernactiviteiten
Ook hiervoor wordt vergadertijd ingeruimd om de doorstart goed te kunnen maken naar fase 1-2. We bereiden wederom gezamenlijk een aantal kernactiviteiten voor, vullen de weekplanning in en bepalen hoe we het thema gaan afsluiten. Inhoudelijke input kan worden gegeven door de OGO-taalcoördinator.
In deze fase verdiepen de kinderen zich in het thema waarbij ze allerlei nieuwe ervaringen en kennis opdoen. Zowel de vragen en  de inbreng van de leerlingen als de (voorbereide) bedoelingen die de leerkracht heeft, sturen dit proces.

 Aan de hand van de vragen worden (kern)activiteiten aangeboden waarbij de kinderen onderzoek kunnen doen naar de antwoorden op hun vragen. Bij onderzoek maken we onderscheid  tussen:
-bronnenonderzoek (boeken, internet, teksten)
-praktijkonderzoek (een expert vragen, interview)
-experimenteel onderzoek (proeven doen)

In de onderbouw worden de vragen van de kinderen door middel van verschillende activiteiten beantwoord. Daarnaast wordt samen met de kinderen de spelhoek opgebouwd. Met behulp van een spelscript leren kinderen verschillende rollen spelen.

Fase 3 afsluiting
Ervaringen en kennis die opgedaan is tijdens het thema wordt vastgelegd. Dit kan zijn in de vorm van een tentoonstelling, film, krant, boek, presentatie. Onderling wordt afgesproken of dit klassikaal gebeurd of schoolbreed eventueel inclusief ouders en genodigden.

Fase 4 evaluatie
Met de kinderen wordt het thema geëvalueerd, wat vonden ze ervan, wat hebben ze ervan geleerd. Ook met de leerkrachten worden de thema's geëvalueerd en meegenomen naar het volgende thema waar nog aan gewerkt moet worden en wat goed gaat.